Dichters in Helmers zondag 4 april 2004:

Inleiding       De dichters       Het juryrapport       Gedichten       Foto's

Het was een uitzonderlijk mooie dichtersmiddag, die op zondag 4 april 2004 plaatsvond in cafe Helmers. Als het gros van de optredens zo’n hoge kwaliteit heeft als op die middag, dan staat de jury voor een bijna onmogelijke taak om tot een consensus te komen....
Aan de objectieve criteria is dan al voldaan en wat dan de doorslag geeft is de smaak, of waar wij als jury voor gekozen hebben die middag : in hoeverre raakt het ons. En als het ons raakt, is dat dan in het hoofd of in het hart. En zou het niet mooi zijn als beide in een hogere harmonie zouden kunnen gaan trillen. Door de ontdekking dat er rond het hart een neuraal netwerk zit, dat net als het brein zijn signalen afgeeft aan het zenuwstelsel, vraag ik me af of de vreugde van het luisteren naar goede poezie wellicht helpt het hart en het brein weer gelijke tred te laten houden.Mohs Volke Misschien dat de lichte voeten van het vers de juiste maat aan kunnen geven, want zijn hart en brein niet in hetzelfde ritme, dan produceert het zenuwstelsel cortisol, een stresshormoon dat niet echt bevorderlijk is voor je goede humeur en besluitvaardigheid. Anders gezegd : konden we doordat de deelnemers hun vak op geheel eigen wijze zo goed verstonden, ons hart als een tweede lyrisch brein laten spreken?
In het onderstaande chronologische verslag zal ik het jury-oordeel n.a.v. mijn persoonlijke insteek per dichter nader toelichten. Maar ten eerste wil ik niet onvermeld laten dat deze middag werd gepresenteerd door de dichter Mohs Volke. Hij zette de oren voor de volgende drie uren in de juiste stand, door zijn gedicht “het geheim van de dichters” voor te dragen, waarvan de slotzin luidt : “Het geheim nam zich mee in het graf / net zoals het altijd geleefd had : / In bloemen en geopende harten.”

De optredende dichters waren in volgorde van opkomst: Rijn Vogelaar, Thomas Möhlmann, Babak Amiri, Larissa Verhoeff, Tsead Bruinja, Erik-Jan Harmens, De Woorddansers, Sieger Baljon en Jet Chrielaard


Het juryrapport

Rijn Vogelaar.

Rijn VogelaarAls eerste deelnemende dichter trad Rijn Vogelaar op. De jury vond Rijn Vogelaar een dynamische dichter. Het woord cocky is gevallen, maar ook het woord lief en podiumdier. Zijn poetische persona is er een van aanvaarding en nabijheid, niet van afstand, niet van ontkenning. “Applaus of tomaten“. Rijn Vogelaar is een Rotterdamse dichter en hij droeg het gedicht applaus of tomaten op aan de eveneens Rotterdamse Woorddansers, die ooit eens ergens tijdens een optreden zijn uitgejouwd. Hij droeg met name dat gedicht heel overtuigend voor, als was het tevens zijn eigen poëtica.
Tegelijkertijd was het een ode aan de podiumpoëzie. Een dichter zou dusdanig moeten branden op het podium dat ze van verre kunnen komen om zijn vonken te vangen. De dichter wordt opgeroepen zijn stem te laten horen, te zingen en te dansen. Profetischer kon de opening van deze middag niet beginnen, want het waren inderdaad dichters die het meest buiten zinnen raakten die het hart van de jury uiteindelijk wisten te winnen.

Thomas Möhlmann.

Thomas MöhlmannEen heel andere dichter dan Rijn was Thomas Mohlman. Introverter, beschouwender ; geen virtuoos spel met rijm en klankherhalingen, maar gedichten die vooral oog en oor hebben voor de tijd en diezelfde tijd ook nodig hebben om tot bloei te kunnen komen in het brein. Sommige juryleden vonden ze te cerebraal. Een ander jurylid was echter zeer onder de indruk van het gedicht “Chamuda”. Ze had het gevoel dat de dichter in dat gedicht de tijd zelf aan het kruis had genageld . Waar blijft de tijd? Uiteindelijk is de zon de eerste en de laatste klok. Daar waar hij (Christus) niet aan het kruis stierf, maar opsteeg en zelf de zon werd. Maar zoals gezegd : zijn gedichten hebben de tijd nodig en die hebben ze in dit optreden niet voldoende gekregen. Wellicht zou Thomas Mohlman zijn poezie tijdens het voordragen een wat trager tempo moeten gunnen. Ik denk hierbij aan Mustafa Stitou die een zaal stil en aandachtig weet te krijgen dankzij een uiterst geconcentreerde langzame voordracht. Een jurylid had het over een soort Winterreise, een zielereis. De gedichten van Mohlman staan voor kalme stilstand die overblijft, waar alles maar voortraast. Het ging om trage ervaringen die zich teweer stelden tegen elke afraffeling.

Babak Amiri.

Babak AmiriWeer een totaal anders gebekte en een zo op het eerste gezicht vooral ontwapenende dichter, was de derde deelnemer van de middag, Babak Amiri. Bij sommige gedichten genoten we van de laconieke toon waarmee hij het onvermijdelijke met open vizier te lijf ging. Maar naarmate zijn optreden vorderde kreeg de jury het gevoel dat hijzelf achter de sluierdans van zijn (pseudo-)naïviteit tot aan de tanden gewapend op het podium stond. De jury zou zelf niets liever willen dan alle wapens uit handen geslagen te krijgen, maar absurditeit en ongerijmdheid kunnen dat op zichzelf niet klaarspelen. Eigenlijk zou er, om met Lucebert te spreken, nauwgezet en wanhopig aan de ruimte (die het vers moet krijgen) gemorreld moeten worden. Om werkelijk te ontwapenen zou hij de door hem zelf genoemde “niet bekrimpende houding“, die “wachtte op mij”, met dichterlijke middelen moeten zien terug te vinden. We denken dat zijn poezie aan spankracht zou winnen als hij dat onbekende deel van hemzelf, achter de wapenrusting met de snijbrander van zijn scherpzinnigheid zou verlossen.

Larissa Verhoeff.

Larissa VerhoeffNa Babak was het de beurt aan Larissa Verhoeff om het podium te betreden. Larissa’s poezie kwam, ondanks de volwassen voordracht, enigszins onrijp over op ons. De jury vond een en ander net iets te uitgesproken en niet poetisch genoeg. Misschien refereerde deze regels daar zelf al aan : “mijn verstand raast als een dolle langs kwetsbare plekken in mijn ziel en wil die tere gaten vullen met kauwgom, viltjes en vinyl”. Deze gaten zijn precies de plek waar de lezer zijn eigen associaties bij zou mogen willen hebben. Misschien zou Larissa haar poezie van iets meer witregels kunnen voorzien. Zoeken naar het meest rake en intense woord dat het al te gewone op zijn ongewoonheid betrapt.

Tsead Bruinja.

Tsead BruinjaDe volgende kandidaat was de inmiddels in Amsterdam wonende Fries Tsead Bruinja. Opmerkelijk is dat, hoewel de gedichten van Tsead de indruk wekken in een vloek en een zucht geschreven te zijn, ze op het podium er een wezenlijk kenmerk bij verwerven. Het worden meanderende evocaties van ontzette geplette sonnetten. Zijn optreden was als een diapositief van een vallende sterrennacht. Tsead takelt de taal soms toe opdat het instinct de wil overneemt, opdat het hartebeest sprakeloosheid woordenstromend het hoogste woord krijgt. Bovendien zet hij veelvuldig de val van het toeval, om de geest van het vlees op zijn levendigst gevangen te zetten. Dichten is een voortdurende worsteling tussen toeval en opzet en wat dat betreft gaat het werk van Tsead soms gebukt onder een teveel aan barokke uithalen, wat ten koste gaat van de taalgevoeligheid en subtiliteit. Immers hoe vrijer de taal hoe meer kans dat ze met zichzelf op de loop gaat. Dichtkunst is volgens Heidegger de oertaal van een volk. Het zijn dichters als Holderling die de taal laten spreken zoals ze nooit gesproken heeft. De dichter is volgens hem dan ook geen maker, geen ziener, geen medium, maar een positie van waaruit de taal spreekt. Ook bij Heidegger dient de oorsprong van de taal in ritme te worden gezocht. Taal zou zijn ontstaan uit een trillingsstructuur. Tsead slaagt erin zijn gewaarwordingen tastbaar te maken en de maalstroom van het moment aan gedachten en gevoelens, handen en voeten te geven. De toehoorder te laten aanvoelen wat het verstand niet kan begrijpen : het is alsof zijn zinnen tastzin proberen te verkrijgen. Tsead laat de taal sprankelen in al haar mateloze materialiteit, waaronder geen andere diepte lijkt schuil te gaan dan de afgrondelijke gewaarwording zelf.

Erik-Jan Harmens.

Erik-Jan HarmensTsead werd opgevolgd door Erik-Jan Harmens, de dichter die het zware licht weet te houden. Hij draagt voor op een uiterst afstandelijke toon, bijna zombie-monotoon in een roes van onverstoorbaarheid, maar met een dwingend staccato. Slechts een smalle glimlach doet zijn lippen krullen van een haast stoïcijnse binnenpret als het publiek respondeert. Erik-Jan beheerst in de traditie van Jan Arends, de kunst om “mager te praten met de taal”, spreektaal vaak, maar met een poetische bite. Het is alsof hij het allerdaagse bestaan op heterdaad betrapt en zijn gedichten lijken te weten dat het juist de banale voorvallen zijn, die ons ‘s nachts uit de slaap houden. Het dagelijkse wel en wee, de kleine tragedies worden onder het vergrootglas van de taal gelegd, waardoor ze allengs gaan branden.
Erik-Jan is niet meer de hardcore-romanticus van zijn eerdere werk. Hij lijkt in zijn nieuwste werk iets te hebben gewonnen en iets te hebben verloren. Of het saldo van die twee tegengestelde literaire ontwikkelingen batig is, valt nog te bezien. Het werk heeft verloren aan toegankelijkheid en samenhangendheid, maar gewonnen aan complexiteit. In zijn debuutbundel weet hij waar het pijn doet en zette hij zichzelf, of beter zijn alter ego, op het spel. Zijn woorden stonden daardoor onder zo’n sterke stroom dat je het publiek de adem kon horen inhouden door het schokeffect; dat iemand zijn eigen vertwijfeling en paniek zo openbaar aan het verstoppen was. Het schokeffect is als hij voordraagt nog steeds aanwezig, maar op papier heb ik het idee dat het een en ander zo cryptisch is geworden dat de spanning tussen de persoonlijke ervaring en de lyrische ik kortgesloten wordt. Ook de grimmige deernis waarmee hij de pogingen tot contact maken bij zijn medemensen gadesloeg, lijkt abstracter te zijn geworden. Het is een illusieloze blik die nu de lens wordt waarmee zijn alter ego het moet doen, waardoor hij meer vorst dan versiert en meer betoont dan betovert, maar dat hoeft niet erg te zijn. Het is de kunst clichés nieuw leven in te blazen en waar Erik-Jan dat in zijn eerdere werk deed door te schrapen en te schillen tot hij alleen nog de naakte waarheid overhield, lijkt hij in zijn nieuwe werk een requiem voor het vanzelfsprekende van de dingen te hebben geschreven, wat verrassende dimensies oplevert : “tegeltjes veranderen in koek”, het wordt mogelijk “een hand te doven in een broek” en je vader in een ei te laten reincarneren. Juist als je moet lachen om zijn allesgelijkschakelende toon, krijgt hij het toch klaar de depressieve ondertoon van zijn Roboboy-pose uit cryptusland in het innerlijk oor te planten door zijn enorm goede timing. Waar je bij andere dichters niet het achterste van hun tong zou willen zien uit angst dat ze dan door de mand vallen, zou je bij Erik-Jan juist die gegeven gouden gaap in de bek willen kijken.
Zijn experimenteerdrift is te prijzen, mede omdat hij toch zijn eigen proefkonijn blijft van een tragikomische meerduidigheid. Toch kwam de jury ten langen leste tot de conclusie dat hier meer met het hoofd dan met het hart werd gedicht. Ook bediende hij zich van een net iets te tof en studentikoos taalgebruik volgens sommige juryleden. Bovendien had de jury een vermoeden dat de bodem van een whiskyglas iets te vaak had gefungeerd als oogglas. In de aansluitende pauze bleef de jury het hoofd breken over de vraag : hangt zijn poezie aan elkaar van ragfijne verbindingen die alleen de dichter zelf kan ontwaren en ontwarren, of getuigen zijn nieuwe gedichten van steeds meer nachtzicht?

de woorddansers: Jeroen Naaktgeboren & Arie Hordijk.

Nadat Mohs met zijn bruisende rapCd een frisse woordenstorm had geblazen, begonnen de Woorddansers. Als ware koorddansers tussen dans en muziek produceerden ze geweldige ritmes op het podium. Dankzij hun ritmisch regime bleven ze in het gareel en zorgden ze voor aangename huiveringen. Het was een overrompelende performance. Hier stond de overredingskracht van de cadans centraal die de harten van het publiek moest zien te veroveren. Met een hypnotiserende voordracht exploreerden de Woorddansers het bereik van tweestemmige poezie. Sommige juryleden kregen het gevoel dat ze ook koord dansten tussen actueel en eeuwig. Ze vroegen zich af waar ze naartoe wilden, dit echter terzijde. De Woorddansers deden met hun lyrische rap hun naam eer aan. Hun woorden dansten op hun voordracht tot de vonken er vanaf knetterden en het ritme het laatste woord kreeg.

Sieger Baljon.

Sieger BaljonDe volgende dichter, Sieger Baljon imponeerde met evocatieve klankvindingen. Hij trakteerde ons allereerst op een gnostische grom alsof hij het woord eerst moest terugbrengen tot een soort oertaal, waarbij hij zichzelf aan zijn haren uit het moeras der sprakeloosheid kon trekken, als een moderne baron von Munchhausen. Gedurende zijn optreden bleef hij dan ook zijn haren doorploegen met zijn handen, alsof hij zichzelf er aan moest herinneren dat het niet voor niets was dat hij zich al stotterend en stamelend een weg door het gerede van Heidegger naar het verlossende woord moest banen, om bij de ritmische oorsprong van de poezie, de rituele zang, terecht te komen. Het lukte hem om die met zijn elfachtige beige baardje in de aanslag, te benaderen. Op andere momenten lijkt hij te zijn aangewaaid uit het land van de eeuwige jeugd, waar het gevoel en verstand nog in harmonie zijn en elke strofe een furieus fossiel lijkt, komend uit een wereld die niet meer bestaat dan in de taal of in de onbevangen blik van het eeuwige kind. Sieger heeft geen moeite met engagement noch met hekeling en dankzij de genoemde onbevangenheid ontaardt dat gelukkig nooit in prekerigheid of betweterigheid. Zijn poezie laat zich immers niet vangen, is springerig en lijkt voortdurend opnieuw te beginnen met zich te bezinnen op de associatieve lijnen, waarmee hij zich een weg zoekt door zijn observaties. Sieger blijft laveren tussen beschouwing en vertelling. Hij maakt lustig gebruik van vele dichterlijke technieken en zijn werk is doorspekt met neologismen.

Bij Sieger, de Woorddansers en Tsead Bruinja herinneren we ons weer dat de poezie van oorsprong voor het oor bestemd was. Alleen als we beseffen dat ze haar oorsprong heeft in rituelen, kunnen we de aantrekkingskracht van een in eerste instantie onbegrijpelijk gedicht verklaren. De lichamelijke ervaring, de werking van ritmische klankstructuren is eigenlijk de pure vorm van poetische ervaring. In poezie kun je dan ook de verbondenheid voelen door je lichamelijk reactie op de ritmische resonanties die de hartsnaar aanslaan. Het hart is namelijk een oscillator die alle ritmes in de omgeving op zichzelf afstemt, zo ook alle variaties van het verbale ritme.

Jet Chrielaard.

Jet ChrielaardDe middag werd afgesloten door de dichteres Jet Crielaard. Haar gedichten zijn origineel en spannend, maar toch was er iets wat ontbrak, iets ondefinieerbaars, dat je misschien als diepte, als doorleefdheid zou kunnen omschrijven. Het klonk allemaal zo goedgemutst en daardoor ook wat onaangedaan, waardoor de door de Woorddansers hooggespannen hartsnaar niet wederom werd geraakt, al hadden we wel veel plezier in haar speelse ernst. En hadden wij die middag niet als oscillator een vrolijke hartritmestoornis de voorkeur gegeven boven de versnelde hersengolf, dan had zij zekere een goede kans gemaakt om te winnen. Haar gedichten staan vol met intelligente observaties van een waarneemster van terzijdes die desgewenst als aanslagen op de onverschilligheid kunnen worden opgevat. Aan gene zijde van het platte vlak heerste het optische gevoel voor verhoudingen. Ze verfrommelt het platte vlak tot een kop die nog net niet zijn eigen doodsaria zong. Een gedicht bestaat bij de gratie van oorspronkelijke formuleringen. Ze maakt het allerzwaarste luchtig , radioactieve schapenwolken worden geconsumeerd met slechts een blikverandering ten gevolg, maar het luchtige wordt op haar beurt niet zwaar genoeg gemaakt, zodat het geheel blijft zweven als inderdaad mooie chemische beelden. De bederfengel, ik hoor zijn vleugels ruisen, maar dan slaat ze hem met een opgerolde glossy, of een krant, de derde dimensie uit en is alles weer even vlak als voor de verwo(o)rding. Juist bij Jet C denk ik : ze zou het kunnen, ze zou die witte ruis tot vormprincipe kunnen maken. De puntmuts van de heks wat minder goedgemutst laten zijn. Ik waardeer het dat ‘t zo miskende kind zich bij Jet zo vrijelijk mag uiten, maar mis het schaduwkind daarom des te meer. Er schiet me een regel van Krolow te binnen: “ ik weet niet wat je me wilt zeggen zonder schaduw”. Ze herkent zich in de verscheurde blik, maar wat ik zo graag zou willen zien is dat ze die verscheurde blik ook een stem zou geven. Dan zou haar poezie misschien hartverscheurend kunnen worden. Het kwaad komt dan niet van buitenaf maar van binnenuit. Het zwarte gat, dat net zo goed op de bodem van onze ziel wacht om gedicht te worden. Rest mij nog te zeggen dat haar bijna overslaande stemgeluid prachtig contrasteert met de bravoure waarmee ze op het podium staat; het zet haar gedichten onder spanning.

Tot zover het chronologische verslag, dat de basis vormde voor de jury-uitslag. De derde plaats werd uiteindelijk gedeeld door Jet Crielaard en de Woorddansers, de tweede prijs ging naar Sieger Baljon, maar de winnaar was Tsead Bruinja.
Het hart heeft alles te maken met ritme en resonantie en we hoorden Tsead Bruinja dappere pogingen doen om net als Walt Witman zijn tong in ons hart te laten plonzen. Hij laat de zinnen zelf aan het woord, want hij spreekt haast in tongen. D.w.z. de resonantie van grote voorgangers zijn niet van de lucht, maar hij weet : als hij het gebied onderzoekt tussen zintuigen en geest, dan zijn er eigen ervaringen in voort te laten zingen. De jury vond hem kloten hebben zonder plat te worden en meende dat alles tast- hoor- en proefbaar was tijdens zijn bijzonder goede voordracht. Poezie als een maalstroom van gedachten en gewaarwordingen, als was ‘t het gebed achter de platte werkelijkheid. Niet de associatie maar de dissociatie : met een ontregeling van het vanzelfsprekende voor ogen, worden woorden, begrippen en dingen zonder onderling verband naast elkaar en tegen elkaar aan - en opgezet, zodat er na zijn voordracht een luidruchtige stilte mijn hoofd in en uit golfde en ik mijn hart kon laten uitspreken.

Linguina

Gedichten van winnaars
voormolen

rivaal onder hun rokken
ruikt het naar oud zaagsel

ze kauwen erop en herkauwen
de dagen ze sabbelen
op je kadavertje als je het
tevoorschijnhaalt het onder hun rokken duwt
om de dieren eens rustig met elkaar te laten praten

wrok de schijn gras dat zwart hangt
te zuipen van het stille bruine water
krom en kreupel de geur van gier onder je riem
het knauwen van een oprechte kraai
die niet graag uit stelen gaat maar

onschadelijk en weerbaar
tot op de tanden
van waarde

zie je buiten vuur

alledaagser kameraad
vraag meer van je kadaver
vrees niet hun overmatig
bemande ondermolens

de schijnbaar willoze gebruinde amerikaanse
goed uitgelicht en vol ongevaarlijk geweld
maken je vadsig
papperig


Tsead Bruinja

 

Al Qaeda Global Amusement Industries ltd.

dus keek ik deze ochtend uit het bepixelde raam en zag: tweelingfallus tot stof door hollywood staalvogels kokerblik keizerrijk kastratie

dit is een film een grap een oorlog, ja
eerst zelfs een juichend hoorngeschal
daar komen de vier ruiters!
-en daarbij: hoogmoed, fanatenhaat, ieder zo zijn idealisme-

maar luisteren heet nu zwakte, en dat
oog om oog ons wereldjelief maar weer
in deze angstblindmacht verbinden tracht,
heilig gelijk verbrokkelt aan alle kanten,
nu opgewaaid stof en brandende dollars
door marmeren straten worden geblazen,
een kind die dat ziet
maar die regeren niet

zwarte poelen, vlaggen branden
strepen door sterren en bommenregens
spoelen de rijken schoon dat is
de schone
oorlog
woede heerst onder de duim
straatteksten scrollen over de wereld
zapatista’s, landlozen, geprivatiseerde verlangens
wanneer ontwaakt toch
die amerikaanse droom
wanneer ontketenen we toch
de wereld
dit hier en nu is
oorlog

nog steeds benoemt het stropdasschorem
van schorre marktkooplui angstig
het kwaad in ruige termen
een rilling smeedt het volk aaneen
onder beeldschermstolp met aircodolk
stekend uit de rug der planeet
gilt men demokratie en doodt hoop en
bedoelt met vrijheid roofzucht en
harde handen moffelen met opgeheven hoofd
de schaduw de wanklank
achter de hekken
de tralies

waar wankelende winnaars zich terugtrekken in hun forten
mogen honden aan kettingen vechten om de botten
predikt men defekte systemen, de verliezers
laten we achter langs de weg

slapend onder reisfolders

Sieger Baljon

 

Fragment uit "zomer in de stad" van de Woorddansers

"... Zomerjurken ruisen
om spel en muziek

daarbuiten staren we
naar de lome contouren
van staal en smog

we tellen de boterbloemen
met de kraaien mee

De parken strekken
in duizend verhalen
talen door de stad

In steeds grotere kringen
laten we het midden,
een denkbeeldig punt
waarom je mag dansen..."

Jeroen Naaktgeboren

 

voorverfrommeld gedicht

verfrommel dit gedicht
het verwrongen gezicht in de prop
is mijn kop die vertelt dat
ik een brokkenmaker in de dop ben
mezelf in een verscheurde blik herken
versnipperd en verknipt
wellicht straks zelf verbrand
warm ik mij
nog één keer aan jouw hand


Jet Crielaard

 


Nog veel meer foto's!

Een reeks van 36 foto's die tijdens en na de optredens genomen zijn, min of meer in chronologische volgorde

     
   
     

 


Inleiding       De dichters       Het juryrapport       Gedichten       Foto's